Rekenen in het basisonderwijs

Op het moment dat rekenproblemen zichtbaar worden, is er al een heel traject van ‘haperingen’ aan vooraf gegaan. De zichtbare rekenproblemen zijn vaak ‘het topje van de ijsberg’.

 

Rekenprobleem in kaart brengen
Een goede start is belangrijk. Daarom beginnen we met het in kaart brengen van de rekenproblemen. Rekenvaardigheden en voorwaardelijke vaardigheden om tot rekenen te kunnen komen worden bekeken.

Hieruit volgt een plan van aanpak, waarbij het eerst vereist is dat het kind weer vertrouwen krijgt in zichzelf op rekengebied, en met plezier de oefeningen uit voert.

Bij ‘Werkwijze’ lees je alle stappen van aanpak.

Speciale aandacht kan uitgaan naar rekenfaalangst, verzorging van het werk en/of (gediagnostiseerde) dyscalculie.

 

Het rekenprogramma kent veel onderdelen
Rekenonderdelen waar kinderen vaak moeilijkheden mee hebben zijn:

  • leren kennen en begrijpen van getallen in groep 1-2 (ook voorbereiding op groep 3)
  • leren kennen en begrijpen van vormen, ruimte en richting
  • begrijpen en onthouden van sommen
    • optellen, aftrekken en splitsen tot 5
    • optellen, aftrekken en splitsen tot 10
    • optellen, aftrekken en splitsen tot 20
    • tafels
    • deeltafels
  • begrijpen en vlot kunnen hoofdrekenen tot 100
  • begrijpen en vlot kunnen cijferen (rekenen onder elkaar)
  • begrijpen en rekenen met breuken, procenten, kommagetallen, verhoudingen
  • begrijpen en rekenen met maten (metriek stelsel)
  • lezen en begrijpen van rekenverhalen (redactiesommen)
    lezen en begrijpen van tabellen en grafieken

Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) heeft voor rekenen eindtermen geformuleerd waaraan het leerniveau van kinderen aan het einde van een bepaalde onderwijsvorm zou moeten voldoend Dit noemen we referentieniveaus.
Aan het einde van de basisschool zou een kind op referentieniveau 1F/1S moeten zijn.